Toen de organisaties die het onderzoek uitvoerden, met het project begonnen, was er alleen anekdotische informatie over de situatie in scholen. De signalen kwamen erop neer dat homo- en lesbische leraren vooral in het vmbo geregeld werden geïntimideerd door hun leerlingen. In de laatste jaren ging de aandacht dan vooral naar allochtone leerlingen.
Door onderzoek wilden de partners uitzoeken of die signalen representatief waren voor een bredere problematiek en of het werkklimaat voor homoseksueel of lesbisch onderwijspersoneel slechter was dan voor hun heteroseksuele collega's. Ze wilden natuurlijk ook aanwijzingen vinden over hoe daar eventueel iets aan te doen is!
De Rutgers Nisso Groep nam steekproeven uit verschillende databases van onderwijspersoneel en uiteindelijk kreeg de groep 2035 respondenten zover dat zij een uitgebreide vragenlijst wilden invullen over het werkklimaat. Van deze 2035 respondenten waren er 1647 heteroseksueel en 378 homo, lesbisch of bi-seksueel.
De onderzoeksresultaten leken, over de volle breedte genomen, de vooronderstellingen te logenstraffen. Als men naar alle onderwijssoorten tegelijkertijd kijkt, is er niet echt een verschil tussen homo- en heteroseksuele docenten.
Kijk men echter iets nauwkeuriger, dan ziet men dat homo- en lesbische docenten weliswaar hetzelfde niveau van tevredenheid met het werk rapporteerden, maar tegelijkertijd veel meer gevallen van intimidatie meemaakten. Ongeveer een kwart van de homoseksuele respondenten noemde negatieve ervaringen die te maken hadden met hun seksuele voorkeur.
De meest voorkomende voorvallen waren irritant gedrag van leerlingen, beledigende grappen over hun privé-leven en uiterlijk, roddels en seksuele intimidatie. Het niveau van seksuele intimidatie was onder homo- en lesbische docenten twee tot zeven maal zo hoog als onder hun heteroseksuele collega's.
Dit zien we overigens niet terug in de meldingen bij schoolleidingen of bij vertrouwensinspecteurs: homoseksuele docenten melden intimidatie vaak pas als het uit de hand loopt.
De situatie was het meest ernstig in het vmbo. Daar blijken niet alleen de leerlingen, maar ook hun collega's beledigend gedrag te vertonen. Vooral in situaties waar homoseksuele docenten minder sociale steun rapporteerden, hadden zij meer last van gezondheidsklachten als slapeloosheid, vermoeidheid, buikpijn, trillende handen en hoofdpijn. Ook meldden de docenten meer gebruik van slaapmiddelen en tranquillizers. In het vmbo overwoog 46% van de homo/lesbische docenten te stoppen met werk op hun school, tegen 37% van de heteroseksuele collega's.
Een laatste, maar erg belangrijke conclusie was, dat zowel homo-, lesbische als heteroseksuele docenten zich een stuk prettiger voelden op scholen met een 'diversiteitsbeleid'. We hebben het hier niet over een stuk papier, maar over een serie aspecten die de onderzoekers samenstelden door te kijken naar de kenmerken van scholen waar respondenten het werkklimaat hoog waardeerden.
De centrale aspecten van zulke 'goede' scholen waren:
- Onderlinge sociale steun door onderwijspersoneel.
- Een open houding van het personeel tegenover elkaar in het algemeen, en vooral rond diversiteit en het bestrijden van discriminatie.
- Expliciete voorlichting over diviersiteit en dicriminatie; vooral gericht op man/vrouw-rollen en homoseksualiteit.
- Het hebben van een klachtenprocedure en -commissie.
- Het hebben van een vertrouwenspersoon die niet alleen openstaat voor klachten van leerlingen over seksuele intimidatie, maar voor iedereen en ook voor klachten over discriminatie en negatief gedrag in bredere zin.
- Duidelijke gedragsregels en goede handhaving daarvan.
In scholen met zo'n diversiteitsbeleid had het personeel minder last van burn-out, voelde zich gezonder en was de hele beleving van welzijn beter.